Johan Boswinkel geneest met biofotonen, de zwakke lichtgolven die worden uitgestoten door cellen.

door Jurriaan Kamp (artikel in blad 'Ode')


Johan Boswinkel vindt dat de therapie met biofotonen – genezen met licht – ' eerstelijnsgezondheidszorg moet worden'

Waarschuwing: dit verhaal gaat over een man die een baanbrekende nieuwe therapie presenteert – genezing met behulp van licht. De man is geen arts. Hij is ook geen erkende wetenschapper. Zijn bewijs is nog vooral anekdotisch en, ja, er zijn talrijke sceptici die gretig klaarstaan om zijn resultaten en beweringen aan te vallen. Én: Johan Boswinkel zou wel eens een sleutel tot de geneeskunde van de toekomst in handen kunnen hebben.

Waarom u na deze waarschuwingen toch verder zou lezen? Omdat de moderne geneeskunde, ondanks alle vooruitgang, vaak nog machteloos staat tegenover de vele chronische ziekten die voortkomen uit onze moderne levensstijl. Albert Einstein formuleerde het treffend: een probleem kan nooit worden opgelost op hetzelfde niveau als waarop het werd gecreëerd. Het staat iets platter op het t-shirt van mijn zoon: 'Het zijn doorgaans buitenbeentjes die de wereld veranderen'. Dat is een beschrijving die Johan Boswinkel, met respect, past als gegoten. 'Buitenbeentjes' passen niet in bekende kaders.
Boswinkel is de personificatie van de onafhankelijke autodidact. Hij stelde vragen die anderen niet stelden en vond een oplossing die anderen niet vonden. Hij bouwde een instrument dat verstoringen in het lichaam kan meten en vervolgens kan herstellen. Met dat instrument hebben hij – en de honderden mensen die hij de afgelopen twintig jaar heeft opgeleid – intussen duizenden mensen afgeholpen van ernstige ziekten en hinderlijke kwalen. 'Onze aanpak moet eerstelijnsgezondheidszorg worden. We hebben een succespercentage van 80 procent, zonder schadelijke bijwerkingen', zegt Boswinkel in zijn appartement met uitzicht over de Maas, in het centrum van Rotterdam.

Begin jaren tachtig van de vorige eeuw werkte de Rotterdammer in Nieuw-Zeeland als directeur van een reisbureau. Na een drukke periode voelde hij zich uitgeput en op aanraden van zijn secretaresse bezocht hij een acupuncturist. De man behandelde hem, maar belangrijker was dat hij Boswinkel vroeg voor hem een artikel uit het Duits naar het Engels te vertalen. Dat artikel was geschreven door de Duitse natuurkundige Fritz-Albert Popp en ging over zijn onderzoek waarmee hij de stelling van de Russische embryoloog Alexander Gurwitsch uit de jaren twintig van de vorige eeuw had bewezen: dat alle cellen een uiterst zwak licht uitstralen. Popp noemde dat licht biofotonen en hij liet zien dat die biofotonen de biochemische processen in het lichaam aansturen.
Die vertaalklus betekende een radicale verandering in het leven van Boswinkel. Hij had het functioneren van de mens altijd beter willen begrijpen. Hij had economie gestudeerd, maar de studie voortijdig opgegeven, toen bleek dat 'de modellen in de praktijk nooit werkten, omdat er geen rekening werd gehouden met de mens'. Hij was vervolgens medicijnen gaan studeren, om tot de ontdekking te komen dat 'daar ook geen mensen voorkomen'. Psychologie bleek ook geen antwoord te geven op zijn vragen en toen was hij maar bij een bank gaan werken. Toch bleef het verlangen naar een beter begrip van de mens branden. Het artikel van Popp zette hem aan het denken: 'Als alle informatie die nodig is om de biochemische processen in het lichaam aan te sturen in het licht zit en als verstoringen in het licht – zoals Popp betoogde – biochemische processen verstoren en ziekten veroorzaken, dan moet het mogelijk zijn om het licht te 'meten' en de ziekten eruit te halen. Het 'gerepareerde' licht geef je vervolgens terug aan het lichaam. Als dat werkt, heeft dat enorme gevolgen.'

Zonder dat te weten – er was dertig jaar geleden nog geen internet – stapte Boswinkel op dat moment in de voetsporen van verschillende pioniers die, vanuit het besef dat lichamen uiteindelijk bestaan uit frequenties, sinds het begin van de negentiende eeuw hadden geëxperimenteerd met instrumenten om met frequenties ziekten te bestrijden. Los van elkaar hadden de Amerikaanse uitvinder Royal Rife, een arts in San Francisco, Albert Abrams en de Britse ingenieur George de la Warr opmerkelijke resultaten geboekt met zelfgebouwde instrumenten. Meer recent, in de jaren zeventig, ontwikkelde de Duitser Franz Morell zo'n instrument. Al deze pioniers trof eenzelfde lot: ondanks hun resultaten, die uitnodigden tot nader onderzoek, werden zij door gevestigde medische structuren fel bestreden met juridische procedures en hun werk belandde grotendeels in de vergetelheid. Boswinkel verdiepte zich verder in het werk van Popp, zocht vergeefs in de natuurkunde naar meer informatie over biofotonen – 'die bestond niet en die bestaat nog steeds niet', bromt hij – en begon ook homeopathie en acupunctuur te bestuderen. Met die vergaarde kennis bouwde hij in 1983 een eerste instrument waarmee hij de lichtuitstraling van een lichaam kon meten en herstellen. Het eerste geval waarmee hij ooit experimenteerde, betrof een uitbehandelde leverkankerpatiënt in Nieuw-Zeeland. Boswinkel: 'Ik mat en behandelde, mat en behandelde, en na zo'n twaalf behandelingen was die man duidelijk aan de beterende hand.' Dat dat geen toeval was, bleek vervolgens uit de daaropvolgende successen met de behandeling van aidspatiënten.

Bijna dertig jaar later is Boswinkel toe aan de zesde generatie van zijn instrument en heeft hij zo veel 'wonderen verricht', dat wetenschappelijke erkenning voor zijn therapie in zicht begint te komen. De universiteit van Graz in Oostenrijk liet de biofotonentherapie van Boswinkel in 2007 toe tot het curriculum van de studie complementaire geneeskunde. In Wageningen wordt onderzoek verricht naar het effect van de therapie van Boswinkel op de groei van planten en pluimvee. Bovendien zijn de eerste, beperkte, 'waarnemingsstudies' met mensen gedaan en werken inmiddels reguliere artsen in hun praktijk ook met het instrument van Boswinkel (zie kaders). Biofotonen zijn nauwelijks waarneembaar. Het licht dat zij uitzenden, is vergelijkbaar met het zien van een kaarsvlam op een afstand van twintig kilometer. Daarom bouwde Popp een ingenieuze versterker waarmee de biofotonenemissie van cellen kan worden bestudeerd. Met behulp van dat apparaat kan Popp laten zien dat cellen een coherent – gezond – licht uitstralen of een chaotisch licht, dat duidt op een ziektebeeld. De verklaring is simpel: als de biofotonen op chaotische wijze de biochemische processen in het lichaam aansturen, veroorzaakt dat verstoringen.

Het apparaat van Popp is geschikt voor een laboratorium waar cellen onder een microscoop kunnen worden bekeken, maar niet voor de praktische toepassingen die Boswinkel voor ogen had, omdat een lichaam – miljoenen cellen – tegelijkertijd een divers spectrum aan straling uitzendt. Boswinkel vond zijn oplossing in een instrument dat de Duitse grondlegger van de elektro-acupunctuur, Reinhold Voll, in de jaren vijftig had ontwikkeld. Voll had laten zien dat de elektromagnetische spanning op acupunctuurpunten duidelijk afweek van de omliggende huidspanning. Hij stelde bovendien vast dat elk acupunctuurpunt is verbonden met een bepaald orgaan of klier. Bij metingen met het instrument van Voll blijken twee mogelijke resultaten: of het apparaat toont – gevoed door een krachtige, consequente spanning van het punt – een rechte lijn, of het apparaat toont een hyperbool, in het geval van een afvallende spanning die zwakte van het punt weergeeft. Boswinkel: 'Dat betekende een doorbraak voor mij. Popp liet met zijn lichtversterker precies hetzelfde zien: een rechte lijn in het geval van geordend, coherent licht; en een afvallende lijn in het geval van chaotisch licht. Dat bracht mij tot de conclusie dat de metingen op acupunctuurpunten overeenkomen met biofotonenmetingen.' Intussen hebben andere onderzoekers inderdaad vastgesteld dat acupunctuurpunten, naast de ogen, fungeren als bijzondere vensters voor de opname van licht door het lichaam en dat verklaart ook het spanningsverschil dat Voll op die punten mat.

In het geval van een afvallende meting is er sprake van een verstoring in het lichaam en daar begint de diagnose van Boswinkel. In zijn instrument koppelde hij de elektro-acupunctuurmeetmethode van Voll aan een archief met potenties uit de homeopathie. Immers, in de homeopathie worden bacteriën, ziektebeelden, gifstoffen en zware metalen gehomeopathiseerd: hun frequentie en hun informatie wordt 'opgenomen'. Die informatie – zo'n 500 middelen – zit opgeslagen als 'tegenfrequenties' in het instrument van Boswinkel. Een voorbeeld: Boswinkel meet dat een maagpunt een afvallende lijn vertoont. Er is dus sprake van een storing in de maag. Als hij vervolgens de tegenfrequentie van salmonella in de meting opneemt en de afvallende lijn wordt recht en coherent, weet hij dat de storing in de maag wordt veroorzaakt door salmonella. De resultante van verstorende frequentie en tegenfrequentie moet nul zijn, omdat tegengestelde golven elkaar neutraliseren. Als de meting inclusief de salmonella-tegenfrequentie nog steeds een afvallende lijn vertoont, moet Boswinkel op zoek naar een andere oorzaak. 'Je lichaam is net een radio: je krijgt alleen muziek als je resonantie hebt met een bepaalde zender', zegt hij. Zodra hij weet waardoor de verstoring in het lichaam wordt veroorzaakt, kan Boswinkel zijn behandeling beginnen. De patiënt krijgt twee glazen elektroden in haar handen. De ene elektrode neemt op wat het lichaam uitstraalt. In het instrument wordt dat licht vervolgens 'omgedraaid' en teruggegeven aan het lichaam via de andere elektrode. Hetzelfde gebeurt vervolgens nog een keer via de voeten, die op twee glazen platen worden geplaatst. 'Je wordt behandeld met je eigen licht. Elke functiestoornis wordt herkend.' Zijn therapie gaat uit van dezelfde wet van gelijksoortigheid waarop de homeopathie berust. Boswinkel heeft voor diagnose en behandeling minder dan een uur nodig en de meeste problemen kan hij met vijf of zes behandelingen oplossen. Hij schat het succespercentage van zijn therapie op ongeveer 80 procent en 'wij behandelen juist de chronische gevallen, de mensen die het hele medische circuit al hebben doorlopen'. Hij peinst even en vervolgt: 'In beginsel kun je altijd alles herstellen. Er zijn maar weinig mensen die niet beter kunnen worden. Je kunt tot het allerlaatste moment ingrijpen en het zelfhelend vermogen van het lichaam herstellen.' In zijn ideale wereld ondergaat iedereen elke zes maanden een check-up: 'In die periode kunnen zich geen storingen opbouwen die niet simpelweg kunnen worden gecorrigeerd.' De grootste uitdaging voor een succesvolle behandeling met de therapie van Boswinkel betreft het stellen van de diagnose. 'Dat is het lastigst', zegt hij. In het cellenorganisme van een mens spelen zich op elk moment miljoenen processen af. Boswinkel: 'Je kunt het vergelijken met een boom waarvan elk blad een bepaald symptoom of verstoring kan vertonen. Je kunt elk ziek blad aanpakken en ontstoren. Daarmee kun je iemand snel van bepaalde symptomen afhelpen. Maar blaadjes worden ziek door een bepaalde verstoring vanuit de stam en de wortels van de boom. Je moet op zoek naar die kern. Daar zit de echte oplossing.' Hij geeft een voorbeeld: 'In de reguliere geneeskunde wordt de heliobacterbacterie gezien als een bekende oorzaak van een maagzweer. Maar als ik een maagzweer wil behandelen, behandel ik de galblaas en niet de heliobacter bacterie. Als organen of klieren uitgeput raken, functioneert het immuunsysteem niet meer optimaal en ontstaat een ontvankelijkheid in het lichaam waarvan bijvoorbeeld bacteriën gebruikmaken.'

Met bijna dertig jaar ervaring ziet Boswinkel verbanden die leken – en reguliere artsen! – raadselachtig voorkomen. Voor Boswinkel bestaat er een verband tussen de ziekte van Crohn en een chronische blindedarmontsteking, tussen astma en een whiplash en tussen een vergrote prostaat en kaliumtekort. Hij ziet de oorzaak van leverkanker in een storing van de hypofyse en daar begint ook de behandeling van alcoholverslaving, die wordt veroorzaakt door een veel te hard werkende alvleesklier, die door de hypofyse wordt beïnvloed. Het stellen van de juiste diagnose vergt een grote kennis van het menselijk lichaam, die de autodidact Boswinkel zelf in de loop van vele jaren heeft verworven. Dat geldt lang niet altijd voor de honderden mensen die hij intussen heeft opgeleid om zijn instrumenten te bedienen. Uit diverse gesprekken met behandelaars blijkt ook dat diegenen met een medische opleiding – van natuurgeneeskunde tot fysiotherapie tot verpleegkunde – het meest succesvol zijn met de therapie van Boswinkel. Vandaar dat hij zeer verheugd is dat zijn opleiding, die verspreid over een aantal maanden, gemiddeld 21 cursusdagen duurt, nu ook deel uitmaakt van het curriculum complementaire geneeskunde van de universiteit van Graz in Oostenrijk. Hij heeft plannen voor een bredere universitaire toekomst voor zijn biofotonenopleiding. 'Zo'n integrale benadering biedt de beste kansen op succes', zegt hij (zie kader op pagina 24).

Een waarnemingsstudie van twee therapeuten die de opleiding in Graz doorliepen, illustreert het effect van de Boswinkeltherapie. Twintig patiënten van verschillende leeftijden met een reeks chronische klachten – van allergie en huidproblemen tot slaapstoornissen en vermoeidheid – werden gedurende twee weken behandeld. Vervolgens bleken de klachten na drie maanden voor 90 procent of meer verdwenen of in elk geval beduidend verminderd. Een dergelijk onderzoek doorstaat de harde test van de wetenschap nog niet, maar biedt wel een hoopgevende indicatie die vraagt naar meer, beter, dubbelblind gecontroleerd onderzoek. Critici van Boswinkel wijzen op het gevaar van het 'experimenteffect': de waarnemer die de waarneming bepaalt. 'Dat effect bestaat absoluut', reageert Boswinkel en voegt eraan toe dat dat overal in de wetenschap een rol speelt. De bediener en zijn begaafdheid zijn deel van de diagnose. 'Elke meting is subjectief en daarom is het van zulk cruciaal belang dat de therapeut zich zo objectief mogelijk opstelt', zegt hij. 'Als je met het instrument metingen verricht, moet je je voor alle mogelijke uitkomsten blijven openstellen; dan krijg je de meeste informatie en is er veel mogelijk.'

De aanpak van Boswinkel reikt veel verder dan de geneeskunde. Zoals een van zijn voorgangers, George de la Warr, in de jaren vijftig veelvretende Coloradokevers uit een aardappelveld verjoeg door simpelweg zendertjes met de tegenfrequentie rond het veld te plaatsen, zo was Boswinkel in de jaren negentig op vergelijkbare wijze succesvol met het bestrijden van een sprinkhanenplaag in Marokko. De mogelijkheden voor landbouw vrij van chemische bestrijdingsmiddelen zijn evident. Wanneer we elkaar spreken, is Japan net getroffen door de recente zware aardbeving en het stralingsgevaar van de kerncentrale van Fukushima domineert het nieuws. Boswinkel heeft zich gemeld bij de Japanse ambassade in Den Haag, maar kreeg tot dusver geen gehoor. 'Je kunt altijd alle frequenties omdraaien', zegt hij.
Op een zonnige lentedag lopen we het centrum van Rotterdam in. Op straat lopen mensen met zonnebrillen. 'Dat moet je niet doen,' zegt Boswinkel, 'want de levensvoedende straling van de zon komt juist ook via de ogen het lichaam binnen.' Hij is ook geen voorstander van zonnecrèmes die de acupunctuurpunten – die andere belangrijke zonnevensters – bedekken.
Boswinkel weet dat er zonder licht geen leven is. Niet alleen is al ons voedsel afhankelijk van de zon, onze lichamen zelf kunnen ook niet zonder dagelijks licht. Het is algemeen aanvaard dat gebrek aan daglicht zorgt voor winterdepressies. Blinde mensen bij wie de lichtval in hun ogen niet via de pijnappelklier naar de hersenen wordt doorgegeven, kunnen significante storingen in hun fysiologische en emotionele stabiliteit vertonen. De Hongaarse biochemicus Albert von Szent-Györgyi zei in 1937 bij de aanvaarding van zijn Nobelprijs voor de ontdekking van vitamine C: 'Elke levende cel heeft energie nodig voor al zijn functies, maar ook voor het onderhoud van zijn structuur. Zonder energie zou het leven ogenblikkelijk stoppen en de cellulaire structuur zou instorten. De bron van deze energie is de straling van de zon.'

Maar zo gezond en vitaal als zonlicht is, zo ondermijnend werkt het kunstlicht waarin steeds meer mensen een steeds groter deel van hun dag moeten doorbrengen. Zonlicht biedt een evenwichtig kleurenspectrum, kunstlicht daarentegen biedt – afhankelijk van het soort – slechts een beperkt deel van dit spectrum. Die beperking verstoort de harmonie in het lichaam en dat is het begin van elke ziekte. Ofwel: ziekte begint met gebrek aan licht.
De boodschap van Boswinkel is dat de verstoring van de harmonie in het lichaam ook weer met licht kan worden verholpen. We komen aan bij een zonovergoten terras voor de lunch. Boswinkel kiest voor het tafeltje in de schaduw. Ik kijk hem vragend aan. Dan lacht hij en zegt: 'Ik geef zelf al zo veel licht. ---------------- Ode's oprichter en hoofredacteur Jurriaan Kamp heeft hierbij besloten dat hij vaker naar buiten moet.

Voor meer informatie: biontology.com

 

inSpin websites